Leuven, de bierhoofdstad van België. Dat weet ik (uiteraard) alleen omdat het zo op Wikipedia staat en omdat we, iedere keer als we in Leuven zijn, een keer of zes langs de Stella-brouwerij rijden omdat we wéten dat we daar in de buurt moeten parkeren, maar altijd weer vergeten waar we ook al weer precies moeten zijn. Echt ‘bieren’ heb ik in Leuven nog nooit gedaan. Wat ik er wel heb gedaan, en waar ik ontzettend van heb genoten, is het Groot Begijnhof bezoeken. Zo’n drie hectare met interessante architectuur, te ontdekken hoekjes en doorkijkjes, details die je werkelijk waar van alle kanten kunt fotograferen en religieuze geschiedenis. Het Groot Begijnhof is in de jaren ’60 opgekocht en gerestaureerd door de Universiteit om er studenten en gastprofessoren te huisvesten. Dat idee vind ik echt geweldig; dat zo’n oud stukje stad (of liever gezegd: de ministad-in-de-stad) met zoveel geschiedenis zo liefdevol wordt opgeknapt en in de huidige tijd ‘gewoon’ gebruikt wordt. Het levert ook mooie contrasten op: prachtige oude straatjes met spiksplinternieuwe mountainbikes tegen de muurtjes. Ik denk niet dat de begijnen dat acht eeuwen geleden hadden kunnen bedenken…